Het was in de dagen na de Grote Slag. De Minstreel was gered door de
roep van de Jonkvrouw, maar zwierf met niets in zich dan de belofte
om het vuur van leven en liefde te verdedigen, stuurloos door de wereld.
Op zoek naar elke plek waar het Beest toesloeg, om het fanatiek te
bevechten.
Tot hij in de stem van een groot man en een klein meisje, opnieuw haar
roep hoorde en halt hield...
De man was zijn groot voorganger, de minstreel uit het westen, die
geen oorlogslied zong, geen bittere doodsverklaring aan een vijand, maar
een zucht voor elk mens, elk individu dat leed onder wrede wetten,
willekeur en staatsterrorisme. Het meisje was het Meisje met Ziel, bijna
bezweken onder het gewicht van ballast en verwachtingen van anderen,
zichzelf uitwissend, verslindend.
Daar en dan besloot hij de roep van de Jonkvrouw te volgen, oude wegen
en strijdmakkers vaarwel te zeggen en het Monster te bestrijden door
het vuur van het leven te voeden.
Het meisje leerde hij eerst staan, toen lopen... En hij begon liederen
te schrijven, en méér liederen... in de hoop ooit in de schaduw te
kunnen staan van de minstreel uit het westen. Met een lied als dit.
"...The limits of pain they endured -
the loneliness got them instead
And the courts gave them justice as justice is given
by well-mannered thugs
Sometimes they fought for the will to survive
but more times they just wished they were dead."
|